Long Term Asset Replacement Plan – Wat is het en wat levert het op?

Onvoldoende controle op de Capex uitgaven? Onverwachte grote uitgaven? De zin “die gaat zeker nog 10 jaar mee”? Allemaal aanleidingen om na te denken over Long Term Asset Replacement Plans (LTARP). Graag leg ik in deze bijdrage uit wat LTARP is en wat het oplevert.

LTARP in het kort

Long Term Asset Replacement Plan (LTARP) geeft je inzicht in de conditie en de degradatie van de installaties en dus de totale levensduur en de verwachte vervangingstermijn van een asset. Dit is de basis voor het opstellen van een investeringsplan. Als je aan deze levensduur een vervangingswaarde koppelt, kun je direct visueel maken welke investeringen de komende jaren aan de orde komen.

LTARP leidt tot een lange termijn investeringsplan, onderbouwd door kennis uit systemen, de markt en de medewerkers.

Aanpak

Na het vaststellen van de kritische assets, worden voor elke asset individueel de volgende zaken geïnventariseerd:

  • Het huidige preventief onderhoud; indien preventieve onderhoudstaken een item direct en volledig vervangen, dan valt deze asset uit de scope.
  • De hoogte van de vervangingskosten; indien de vervangingswaarde lager is dan de investeringsdrempel is deze asset niet relevant voor LTARP.
  • Failure Asset Mode (FAM).

Voor de overgebleven assets is het van belang de manier van falen aan te geven. Faalt de asset op basis van gebruik en ouderdom, of is dit doordat het niet meer leverbaar is en je bij falen dus niet meer kan produceren. Het niet kunnen vervangen is ook een manier van falen: er is namelijk geen controle meer. Obsolescence is een steeds vaker voorkomend fenomeen, waarover dit onderzoek snel uitsluitsel geeft, en waardoor mitigerende acties mogelijk zijn.

Het niet kunnen vervangen is op zich geen probleem, zolang je maar bewust de keuze maakt dat om een bepaald risico te lopen. Het opstellen van een eventueel contingency plan kan al heel veel zorgen en gevolgkosten wegnemen.

Vervolgens is noodzakelijk om voor de overige installaties te bepalen welke conditie de installatie heeft en afhankelijk van de failure mode, wanneer de verwachte vervangingsdatum is. Afhankelijk van de gewenste detaillering kan dit kan op drie niveaus: theoretisch, analytisch of academisch.

Niveau 1 - Theoretisch/Pragmatisch

Hierbij maken we gebruik van de ISO15686 en de NEN2767. De conditiebepaling gebeurt in eerste instantie op basis van beschikbare data en gesprekken met de klant. Om te komen tot de onderstaande beoordeling wordt gebruik gemaakt van checklists met ervaringsinformatie en vragen waardoor een onderbouwde conditiebepaling gemaakt kan worden.

ConditiescoreOmschrijvingToelichting
1Uitstekende conditieIncidenteel geringe gebreken
2Goede conditieIncidenteel beginnende veroudering
3Redelijk conditiePlaatselijk zichtbare veroudering. Functievervuiling van bouw- en installatiedelen niet in gevaar
4Matige conditieFunctievervuiling van bouw- en installatiedelen incidenteel in gevaar
5Slechte conditieDe veroudering is onomkeerbaar, installatie moet vervangen worden
6Zeer slechte conditieInstallatie is rijp voor sloop en kan niet meer veilig geopereerd worden

Na de bepaling van de conditie, wordt door middel van een degradatie rate (End of life Classe / Gemiddelde levensduur), een geschatte intensiteit van gebruik, een onzekerheidsfactor en de commissioning date een verwachte vervangingsdatum bepaald.

Niveau 2 - Analytisch

De Analytische manier is meer data gedreven. Waar bij de theoretische opzet gekozen is om de kennis en ervaring van de medewerkers als basis te nemen, gaat deze methodiek uit van de beschikbare data. Een pijpleiding met een wanddiktemeting is daarvoor een goed voorbeeld.

   

In het bovenstaande voorbeeld is bepaald dat categorie 5 voor de klant de ‘end of life’ is, dus het moment van vervanging. Afhankelijk van de waarde, lees wanddikte die daarbij hoort (hier 6.0mm), kun je een gerichte inschatting maken wanneer de pijpleiding minder dan 6mm dik zal zijn. Hierbij is ook direct duidelijk welke ‘classe’ het object op het meetmoment heeft. De data leidt tot informatie over de gemiddelde levensduur op die specifieke locatie en over de gebruiksintensiteit. Hiermee kunnen de degradatierate en de intensiteit beter worden bepaald. Bij deze analytische methode is de onzekerheid een stuk kleiner dan bij gebruik van de theoretische methode.

Niveau 3 - Academisch

De Academische manier is de meeste uitgebreide vorm en hierbij wordt, afhankelijk van de klantwens, een asset-specifieke aanpak aangeboden; denk hierbij aan metallurgie, niet-destructief onderzoek of het betrekken van engineering capaciteit. Deze methode geeft de grootste zekerheid, maar heeft ook een ander kostenplaatje.

Wanneer met behulp van een of meer methoden bepaald is wanneer de installatie faalt, worden in de laatste stap de kosten van vervanging gekoppeld aan de assets en wordt dit geheel visueel gemaakt.

Best Practice

In de praktijk wordt er vaak een combinatie gemaakt van de theoretische en de analytische benadering. Onze ervaring leert dat dit veelal voldoende is om een goed onderbouwd uitgangspunt te krijgen voor de budgetaanvragen.

LTARP is door Stork Asset Management Technology uitgevoerd bij diverse klanten in diverse sectoren. Klanten spreken hun waardering uit over het inzicht dat het hen wordt verschaft en over de manier waarop het vraagstuk wordt aangepakt. We maken gebruik van de kennis van medewerkers van het bedrijf, objectiveren dit en vullen dit aan met onderzoek; alles in samenspraak met het bedrijf. Ook de keuzes die we maken, toetsen en valideren we met de klanten voordat we verder gaan in het traject. Hierdoor komt de klant bij het eindoordeel niet voor verrassingen te staan en heeft de klant een gedragen en goed onderbouwd advies om te presenteren aan het management voor investeringsbeslissingen.

 


Over de auteur:

Peter Legebeke is consultant bij Stork Asset Management Technology. Hij ondersteunt organisaties bij verbetertrajecten, van werkstroom verbeteringen tot het opstellen van onderhoudsconcepten. Hij heeft een pragmatische manier van werken waarbij het creëren van draagvlak centraal staat, en waarbij hij naast ondersteunen ook graag zelf het werk uitvoert.

Share this article

Add Comment

 

Comments

No comments added yet, be the first to leave a reply!